Nieuwe natuur deel 3: het ‘plan’

Op woensdag 27 februari spreken Provinciale Staten van Flevoland over de uitkomst van het open planproces Natuur in Flevoland. Maandag schreef ik een eerste overzicht van het open planproces. In verschillende bijdragen zal ik hier verschillende onderwerpen uit behandelen. Dinsdag schreef ik in deel 2 over de financiën, vandaag ga ik dieper in op het inhoudelijke advies. Het commentaar is ook in deze beknopte versie vrij omvangrijk. Ik verzoek de lezer even vol te houden. Met de bespreking in de Staten komt een overzicht over waar we nu staan, eerst op 27 februari en later bij de besluitvorming op 20 maart.

De opdracht
Het open planproces natuur is gestart als uitvoering van een motie van Provinciale Staten, die achterin het rapport van Bekker is opgenomen. In die motie zijn randvoorwaarden opgenomen voor het open planproces, waarvan ik hier de hoofdlijn noem. Provinciale Staten vragen aan Gedeputeerde Staten om een open planproces dat zich richt op de ontwikkeling van (bestaande en nieuwe) natuur en van stadsrand met natuur en landbouw. Het gaat PS om een overzicht van samenhangende projecten (die je volgens mij bij elkaar een programma zou kunnen noemen) die aansprekend en betekenisvol zijn. Het gaat om toegankelijke projecten met aansluiting bij de stad en bestaande natuurgebieden, waar gerecreëerd kan worden. Waarmee voldaan wordt aan de bestaande compensatieverplichtingen voor natuur (Flevoland heeft verplichtingen overgenomen van Almere, Lelystad en RWS). Waarmee optimaal wordt ingespeeld op de nieuwe verantwoordelijkheid van de provincies (het Rijk doet beheertaken over aan de provincies). En die snel, binnen 5 jaar, in uitvoering kunnen. Ook de andere randvoorwaarden suggereren een hoge mate van concreetheid in de uitwerking van het planproces. Ze vragen om een effectieve verdeling van natuur, landbouw en recreatie, om het maximaal benutten van ecologische kansen. De kwaliteitsverbetering moet objectief worden aangetoond, inclusief groei werkgelegenheid, die met harde cijfers moet worden aangetoond. Er wordt gevraagd om slimme beheersconstructies met partners.

Het rapport
Als je het rapport vergelijkt met de motie -de opdracht- herken je maar weinig, zowel op details als op de genoemde hoofdlijnen. Het eerste probleem is de mate van uitwerking. Hoofdstuk 8 van het rapport, met de titel ‘Hoe nu verder?’, begint met de vaststelling dat het open planproces een kort intermezzo was in een bestuurlijk proces. Daaruit spreekt een andere opvatting van het resultaat dan uit de motie van Provinciale Staten, dat aanstuurt op een definitief slotakkoord.
In mei vorig jaar presenteerde Gedeputeerde Staten (GS) een overzicht van scenario’s, met concrete voorstellen van inrichting van het Oostvaarderswoldgebied. Geen van de voorgestelde scenario’s bleek een goed startpunt voor verdere uitwerking, waarop gestart is met het open planproces. Je verwacht dan een resultaat tenminste een vergelijkbaar uitwerkingsniveau heeft als de eerder geformuleerde scenario’s en dat liefst al verder is. Die verwachting spreekt ook helder uit de motie waar het proces mee begon. Het volgen van een open planproces zou er toe moeten leiden dat het resultaat het best haalbare is. Als je een voorzitter inhuurt om met de omgeving een plan te maken met een programmatische aanpak, verwacht je dat het uitwerkingsniveau verder gaat dan ‘huur een voorzitter in die met de omgeving een plan gaat maken, met een programmatische aanpak’. Teleurstellend. Helaas is deze impliciete verwachting van het resultaat niet scherp omschreven in de motie van Provinciale Staten (PS). Onder ‘Uitkomst’ staat alleen besluitvorming in december 2012 genoemd (die vindt nu uiteindelijk plaats in maart 2013). GS heeft in haar opdracht aan de heer Bekker kennelijk ook niet aangestuurd op een concreter resultaat. Ik vraag me af waarom niet. En ik vraag me af waarom CDA en VVD in de Staten tot nu toe net doen alsof dit rapport aansluit bij wat ze hadden gevraagd, terwijl dat evident niet waar is.

Naast dat het rapport niet voldoet aan de motie van PS, is de inhoudelijke lijn discutabel. Een ontwikkeling als het Oostvaarderswold (een robuuste verbindingszone tussen Oostvaardersplassen en Horsterwold) wordt in het rapport op grond van drie beweringen afgeschreven. Een verbinding zou niet erg effectief zijn, een verbinding is duur en het Oostvaarderswoldgebied is ver van Almere. De conclusie is vervolgens dat je je beter op natuur elders kunt richten. Deze beweringen zijn echter ongefundeerd of onterecht, zoals ik hieronder laat zien. Daarmee moet ook die conclusie en het erop gebaseerde advies verworpen worden.

Verbinding?
“ICMO adviseert de Robuuste Verbinding van de Oostvaardersplassen naar het Horsterwold zo snel mogelijk te realiseren” schreef de ICMO (International Committee on the Management of large herbivores in the Oostvaardersplassen) al in 2006 in het advies in haar rapport. De ICMO, onder leiding van oud-staatssecretaris Gabor, was ingesteld om een oplossing te vinden voor het beheer van de Oostvaardersplassen, waar met name het verhongeren van de wilde runderen, paarden en herten iedere winter voor ophef zorgde, tot in de Tweede Kamer aan toe. Het ICMO-rapport was voor de minister en Flevoland een reden om haast te maken met de aanleg van het Oostvaarderswold. In 2010 is dit rapport geëvalueerd. Eén van de evaluerende professoren concludeerde dat het ICMO-rapport goede aanbevelingen heeft gegeven, op basis van “een zeer zorgvuldige wetenschappelijke evaluatie“. Wetenschappers op diverse vakgebieden binnen natuurbeheer, ecologie en dierenwelzijn. Deskundigen van wereldformaat. Daar tegenover staat het rapport ‘Natuur in Flevoland’, waarvan de auteur, hoog gekwalificeerd jurist, zegt voordien niet bij dit soort projecten betrokken te zijn geweest. Prof. Bekker verwijst naar niet nader genoemde ‘anderen’ die in het rapport feitelijk niet onderbouwde kritiek hebben om de adviezen van de ICMO. En relativeert de verbinding verder met beweringen als “Men kan zich vervolgens afvragen of er de facto wel veel migratie van die edelherten zal plaatsvinden. Het lijkt wel aannemelijk dat…” Professor Bekker zou toch moeten weten dat een dergelijk speculatief betoog een drogredenering is. Wetenschappelijk niets waard. In tegenstelling tot het advies van de ICMO.
Overigens heeft de ICMO het over een relatief smalle ‘Oostvaarderswissel’, niet over een verbinding met de gedachte omvang van het Oostvaarderswold. In de loop van het open planproces heeft Staatsbosbeheer een voorstel gedaan voor een dergelijke wissel. SBB schat in dat het haalbaar is, ook in overleg met de boeren in het gebied. En als ik naar de financiën kijk, hebben we er nog geld voor gereserveerd ook…

Bij Almere?
Het rapport adviseert om natuur dichtbij Almere aan te leggen. Nu is dat in Almere niet tegen dovemansoren gezegd. Maar een curieus advies is het wel. Want in het rapport wordt dichter bij de huidige grenzen van Almere bedoeld, dichterbij dan de plek waar het Oostvaarderswold was gepland. Op die plek wil Almere echter ergens in de komende dertig jaar nog huizen bouwen. De plek waar Oostvaarderswold oorspronkelijk was gedacht is al tegen de grens van Almere. En we willen nu natuur aanleggen voor onbepaalde tijd. Als je nú natuur dichter bij Almere aanlegt, moeten de bomen het veld ruimen voor woningbouw tegen de tijd dat ze zijn volgroeid. Want de studies zijn het er over eens: de komende dertig jaar moeten er grofweg evenveel woningen gebouwd worden als in de afgelopen dertig jaar. Almere moet dan nog verdubbelen. Ergens in de komende dertig jaar is die ruimte dichterbij Almere gewoon nodig. Je vraagt je af of men zich bij het opstellen van het rapport wel in de ontwikkeling van Almere heeft verdiept.

Duur?
In de ontwikkeling van het Oostvaarderswold heeft de functie van verbinding van de Oostvaardersplassen met de omgeving altijd een belangrijke rol gespeeld. Het rapport waardeert deze functie niet hoog en kijkt naar het Oostvaarderswoldgebied als een zelfstandige natuurontwikkeling. De ecoducten die van belang zijn voor het functioneren als verbinding kosten zo’n 20 miljoen euro. Dat beoordeelt de heer Bekker als duur. En het is inderdaad een heel bedrag, maar essentieel voor het ecologisch functioneren van het gebied (totale investering 147,5 miljoen euro, al bijna geheel uitgegeven). Aan de andere kant is het verkopen van de grond met een kapitaalvernietiging van ook bijna 20 miljoen euro volgens het rapport wél een goed idee. Kost wat, maar dan heb je ook niks. En daarmee is het oordeel ‘duur’ dus waardeloos.

Het advies
Nu is het zo dat Provinciale Staten aan Gedeputeerde Staten hebben gevraagd om een open planproces met een externe voorzitter en dat GS daar vervolgens iemand voor heeft ingehuurd. GS heeft de heer Bekker geselecteerd, hem opdracht verstrekt en (naar ik aanneem) de uitvoering van de opdracht gevolgd. Wat in die contacten precies is gewisseld, mondeling of anderszins is ons niet bekend. Het resultaat kennen we wel: de heer Bekker heeft het nodig gevonden om bij het rapport ook een persoonlijk advies bij het rapport uit te brengen. Nu zit ik persoonlijk niet te wachten op een persoonlijk advies van iemand die naar mijn idee is ingehuurd om een proces te begeleiden. Als we een advies wilden, hadden we wel een adviseur ingehuurd. Iemand met voor die taak passende kwalificaties. De heer Bekker, volgens eigen zeggen tot deze opdracht nog nooit met het onderwerp bezig geweest, doet wel stevige inhoudelijke uitspraken in zijn advies. Net als in het rapport neemt Bekker in het advies nauwelijks de moeite zijn beweringen te onderbouwen. In zijn advies constateert Bekker verder dat de verhoudingen in het gebied niet best zijn en de meningen nogal ver uit elkaar liggen. Joh. Nou, dat was echt nog niemand bij de Provincie opgevallen. Het resultaat is enerzijds niks nieuws, anderzijds inhoudelijk op z’n minst twijfelachtig.
De heer Bekker sluit af met het voorstel van een moratorium. Doe maar even vijf jaar niets aan het Oostvaarderswoldgebied, laat de emoties maar betijen. Vreemd. Een van de belangrijke drijvers achter de haast met Oostvaarderswold was het bekorten van de onzekerheid voor de boeren. Het zo snel mogelijk beëindigen van die onzekerheid staat ook genoemd in de randvoorwaarden van de Staten. De projecten waar PS om vraagt moeten snel, binnen vijf jaar, in uitvoering kunnen zijn. En wat adviseert de voorzitter? Doe maar even vijf jaar niets, kan je daarna altijd nog verder werken… Ik begrijp dat niet.

Een gedachte over “Nieuwe natuur deel 3: het ‘plan’

  1. Pingback: Nieuwe natuur deel 2: financiën | michiel rijsberman

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *